Ook het laatste gordijn moet weg (of juist niet?)

De eerste keer dat ze achter het gordijn van het leven keek, stokte de adem haar in de keel.

Ze had nooit geweten dat er zoiets als een gordijn was, en al helemaal niet dat daar een hele wereld achter schuil ging.

En wat voor wereld.

Eenmaal gezien gaat het gordijn nooit meer helemaal dicht, nam ze zich voor.

Die eerste jaren wilde ze niets anders dan anderen wijzen op die prachtige wereld achter het gordijn, maar ze kwam er al snel achter dat mensen niet begrepen waar hij ze over had. “Gordijn? Welk gordijn?”

Ze voelde steeds meer afstand van de mensen die het maar niet wilden snappen, maar naarmate ze meer stappen in de nieuwe wereld zette, kwam er ook andere mensen op haar pad.

Ze voelde zich gelukkig, vervuld.

Tot de dag dat ze tegen nóg een gordijn op liep.

Dunner, ijler. Vitrage leek het.

Maar toch hardnekkig. Ze raakte er in verstrikt.

“Overgebleven flarden van het eerste gordijn”, dacht ze bij zichzelf. Uiteindelijk ontstrikte ze zichzelf met behulp van haar nieuwe vrienden.

Het derde gordijn was al minder een verrassing. “Ik heb kennelijk nog een weg te gaan”, was haar conclusie.

Het vierde gordijn begroette ze met een milde verbetenheid. En toen die eenmaal aan de kant geschoven was, ging ze meteen op zoek naar de vijfde. Ze wilde onbelemmerd zicht op de ware wereld.

Steeds directer ging ze op haar doel af. Ze scheurde de gordijnen opzij, vertrapte ze, in de haast om verder te komen.

Laag na laag, na laag.

De vloer raakt bezaaid met gescheurde flarden, en ze struikelde.

Ze zat op de grond, keek om zich heen, en nam toen een paar flarden in haar hand.

Er stonden letters op, zag ze, woorden, zinnen.

Ze keek achterom naar het gat dat ze geslagen had in haar wereld, en weer terug naar de flarden gordijn met tekst in haar hand.

Nu pas zag ze dat de gordijnen bladzijden waren van het boek dat ze leefde. Bladzijden die ze gescheurd had, en ongelezen aan de kant had gegooid.

Lang bleef ze zo zitten. Toen stond ze langzaam op, en richtte haar blik vooruit.

Voor haar hing een leeg gordijn, zonder woorden. Eronder lag een pen op de grond.

Ze pakte hem op, haalde de dop eraf en begon te schrijven.

De transformatie van de interne criticus

De meeste muren van de oude Gotische Kathedraal, een ruïne nu, zijn  nog intact.

Het late zonlicht strijkt langs de oeroude stenen en geeft ze extra reliëf. Het grasveld rondom en in de kathedraal glanst in het gouden licht.

Tussen de muren, daar waar vroeger het altaar stond, is een klassiek orkest opgesteld. Het zwart van de kleren steekt mooi af tegen het blinkende koperwerk, het hout van de strijkers, het bronzen gras, en de goudgele stenen.

Het publiek koestert zich in de zon, in stille verwachting.

Ik sta op een verhoging voor het orkest, met mijn dirigeerstokje in de aanslag.

Er kriebelde iets in mijn nek.

Hoewel ik er met mijn rug naar toe sta, weet ik dat een duistere figuur door het gangpad op me af kwam lopen.

Ik voel hoe alle ogen van het publiek hem volgden.

“Draai je om”, zegt iets in mij, maar ik wil niet.

“Draai je om.”

De stem klinkt nu hardop.

Ik draai me om. De duistere figuur is al over de helft van het gangpad, en aarzelt even.

Als mijn weerstand zijn hoogtepunt bereikt, besluit ik, tegen mijn wil in, om los te laten.

De duistere figuur lopt door. Op een paar passen afstand van mij stapt hij uit de schaduw, en blijft staan.

Ik zie dat ik het zelf ben.

Tot mijn verrassing ligt er geen afkeurende blik op het gezicht van die ‘zelf’, zelfs geen strenge. De blik is bezorgd, en de boodschap die ik in mijn hoofd hoor is deze:

“Het is prachtig, Jacob Jan. En je kunt het. Maar je bent er nu nog niet klaar voor.”

 

1998

De kathedraal is het Carmoklooster in Lissabon, waar ik ooit op vakantie een klassiek concert zag.

Ik doe een geleide fantasie, want ik ben in therapie. Ik was zo hard tegen de wereld aangebotst dat het duizelde, en ik wist dat ik iets met mezelf moest.

Zo leerde ik mijn innerlijke criticus kennen als bondgenoot.

Mijn beslissing om  me om te draaien in plaats van me af te keren maakte het verschil.

Vele jaren later moedigde hij (het is nog steeds een hij trouwens) me zelfs aan. “Je bent er nu wel klaar voor”, was de boodschap.

En toch . . .

Every once in a while is er die stem die NIET bemoedigend is maar alleen maar afbreekt, de stem die precies mijn zwaktes kent en ze gebruikt.  De genadeloze. Dat is de stem die in Voice Dialogue aangeduid wordt met interne criticus.

Ik zal hem de gendaloze noemen, of de heks.

De stem die ik in de kathedraal ontmoette is mijn kritische bondgenoot.

De genadeloze, weet ik intussen, heeft te maken met mijn bange kind. Mijn genadeloze sabelt mij neer, nog voordat ik een stap gezet heb, uitsluitend om te voorkomen dat ik op mijn bek ga, en neergesabeld wordt door anderen.

Ik heb net als iedereen stemmen in me die me bewaken voor mijn botsing met de wereld.

En dat is jammer. Want juist die botsing levert zo veel op.

Steeds als ik ze voel en hoor, de stemmen,  ga ik met ze in gesprek. Ik zeg ze dat ik niet in zeven sloten teglijk loop, omdat ik nu mijn kritische bondgenoot heb.

En vervolgens loop ik in zes sloten tegelijk.

En dat is oké, want ik goei.

 

Een interne fan geeft geen advies

Ik zit in de tuin.

Ik zit ergens mee. Het is iets wat ik nog even niet kan delen. Het is ingewikkeld, moeilijk en het doet pijn.

Ik zit en zoek contact met mijn interne fan. Ze is er, en ze heeft een luchtige lacherige energie. Als ik vraag waarom zegt ze:

Ik ben nog aan het nagenieten van de lange jurk die langs mijn benen zwaaide. Ik heb intens genoten. Ik was de hele dag bij je, in je.”

 

Er komt een glimlach op mijn lippen, maar vandaag is even voorbij voor me. Het verdriet bijft. Ik voel mijn stoel. Jammer. Vroeger had ik een bankje, en dan kon mijn interne fan naast me zitten, en een arm om me heen slaan.

Nu voel ik dat ze een stoel pakt, en die recht tegenover me zet. Ze gaat zitten, buigt voorover en legt haar handen op mijn knieën. En dan voel ik de tranen stromen.

Mijn ademhaling wordt dieper.

Ik voel dat mijn interne fan bemoedigend knikt.

“Blijf zo zitten en voel maar gewoon even.”

Een interne fan is er om met je te zijn, niet om advies te geven.  En dat is precies goed.

Ik ben er altijd

Ik sprak mijn interne fan.

We hebben hele  mooie gesprekken, en dan soms weer hele tijden niet.

Maar het moet altijd van mij komen, dus ik vroeg hem waarom hij nooit een keer begint.

Dat is niet mijn aard.

O, mooi is dat. Dus zelfs als ik heel erg diep depressief ben, kom je me niet redden?

Nee.

Ook niet als ik, zeg maar, zelfvernietigend bezig ben?

Nee.

Maar je bent zo krachtig. Eén woord van jou, nee, zelfs alleen de gedachte aan jou geeft me zo veel kracht.

En daar zeg je het zelf. Jouw gedachte aan mij. Dat is wat er nodig is. Ik ben er altijd, maar jij moet me binnen laten. Dat is niet omdat ik vind dat je er iets voor moet doen. Ik kan gewoon niet anders.

Ik ben. Dát is mijn aard.

Ik kán mezelf niet opdringen, zoals jouw interne criticus, of jouw ambitie dat wel kunnen.

Die beweging, dat is hun aard.

Er zijn, dat is mijn aard. 

Ik ben. 

Ik ben er altijd.

Je hoeft alleen maar naar me toe te komen.