Zijn of doen

Mijn moeder kon niet stil zitten. Als ze niet aan het werk was, was ze bezig met huishouden, en als ze een moment voor zichzelf had, was ze aan het werk, in de tuin.

Of ze moest even iets doen, voor iemand. Ze was lerares. Ze deed alles voor haar leerlingen, en het leek alsof de hele wereld haar leerling was.

Mijn moeder bleef tot het eind toe druk. Mijn vader had Parkinson, werd zieker en zieker, en er was steeds meer te doen.

Moet ik je overeind helpen?
Wil je even lopen?
Wil je anders zitten?
Moet ik de kachel lager zetten?
Moet ik de kachel hoger zetten?
Wil je even liggen?
Zal ik je jasje aan doen?
Lust je nog iets?

Maar alle doen van de wereld kon zijn lasten niet wegnemen.

De maatschappelijk werkster, die na veel aandringen van iedereen, vooruit dan maar, voor één keer, langs mocht komen, vertelde dat ze er alleen maar hoefde te zijn voor hem.  Dat dat genoeg was.

Niet doen, maar zijn.

Mijn moeder haalde een keer diep adem. Liet het tot haar doordringen. Eigenlijk wist ze dat ook wel. Ze zuchtte nog een keer, keek de maatschappelijk werkster aan en zei:

“Dus ik moet zijn.”

De maatschappelijk werkster knikte. Blij dat mijn moeder het eindelijk begreep. En toen vroeg mijn moeder:

“Maar hoe doe je dat? ¨

Please follow and like us:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *